Skip to main content

WUR Meer maïs, meer eieren, meer voedselzekerheid

W+O WUR Pluimvee

In 2020 schreef Dioraphte een call for propals uit die gericht was aan expertisecentra voor zeldzame aandoeningen. Op de call kwamen dertien uitgewerkte aanvragen binnen. Vijf externe reviewers scoorden de aanvragen op zowel wetenschappelijke kwaliteit als op impact voor de patiënten, de maatschappij en het expertisecentrum. Uiteindelijke selecteerden de reviewers vijf aanvragen. Een van de gelukkigen was de neurologiegroep van Gisela Terwindt van het Leids Universitair Medisch Centrum, met een onderzoek naar Retinale Vasculopathie met Cerebrale Leukoencefalopathie en Systemische manifestaties (RVCL-S). Twee ontwikkelingseconomen van Wageningen University hopen via een aantal interventies de haperende pluimveeketen in Sierra Leone aan de praat te krijgen. De opgevoerde productie van maïs moet leiden tot meer kippenvlees en eieren, en dus meer voedselzekerheid voor de lokale bevolking. ‘Het is old school ontwikkelingssamenwerking,’ beaamt Erwin Bulte. ‘Maar zo ouderwets dat het eigenlijk weer modern is.’

‘Het is old school ontwikkelingssamenwerking. Maar zo ouderwets dat het eigenlijk weer modern is.’

Erwin Bulte

Hoewel ze vaak een grote agrarische potentie hebben, zijn de meeste Afrikaanse landen voedselimporteurs. Dat geldt ook voor Sierra Leone. Grote delen hebben een vruchtbare bodem en er valt veel regen. Dat maakt het land zeer geschikt voor landbouw en veeteelt. Toch blijft de agrarische productie ver achter bij het potentieel. Erwin Bulte en zijn collega Maarten Voors hopen daar via relatief eenvoudige interventies in de pluimvee-waardeketen verandering in te brengen. ‘De waardeketen van pluimvee is nogal beperkt, maar heeft groeipotentie,’ legt Bulte uit. ‘Van de dertig miljoen eieren die jaarlijks in Sierra Leone worden geconsumeerd, komt maar vijftien procent uit het land zelf. De verwachting is dat door de groei van de stadsbevolking en de behoefte aan versproducten de consumptie van eieren verder zal toenemen tot honderd miljoen eieren per jaar. Daar liggen dus enorme kansen voor pluimveehouders. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de productie van kippenvlees.’

Bottlenecks

Bulte en Voors zochten samen met lokale partners naar bottlenecks in de keten. ‘Kippenboeren hebben nu zo’n twintig kippen. Onze vraag was: waarom houden ze er niet meer?’ Het bleek een kip-en-eiprobleem. Als reden voor het geringe aantal kippen werd het gebrek aan goed voer gegeven. En als reden voor het gebrek aan voer werd het gebrek aan vraag naar voer aangevoerd. Om die patstelling te doorbreken, willen Bulte en Voors, natuurlijk met medewerking van lokale overheden, ingrijpen in de keten. ‘We begrepen al snel dat we iets aan de productie van kippenvoer moesten doen. Meer in het bijzonder aan de productie van maïs. Gemalen maïs blijkt vanwege de hoge voedingswaarde een goede basis voor kippenvoer. Het wordt alleen heel weinig verbouwd in Sierra Leone. Het goede nieuws is dat maïs in een ander seizoen groeit dan rijst, het dagelijkse voedsel van de bevolking. Verbouwen van kippenvoer concurreert dus niet met het verbouwen van mensenvoedsel.’

Regionale hubs

Gelukkig hebben honderd dorpen recent via zogenoemde mini-grids de beschikking over zonne-energie. ‘Ons idee is regionale hubs te creëren en daar een groot deel van de keten samen te brengen. Centraal daarin staan geventileerde opslagplaatsen en molens waarin de maïs tot kippenvoer vermalen kan worden. Die financieren we met de bijdrage van Dioraphte. Die gebruiken we ook om een aantal kippenfarms op te schalen naar zo’n tweehonderd kippen en de maïs- en kippenboeren in het begin via contracten afzet te garanderen voor hun product.’

Proof of concept

Het gaat hier om een proof of concept-project, aldus Bulte. De pilot begint met vijf hubs, waarbij bij elke hub zo’n vijftig boeren zijn betrokken. ‘We hebben meer dan tien jaar ervaring met landbouwprojecten en weten dat het heel erg moeilijk is om systemen te veranderen. Zeker in Afrika. Volgend jaar weten we meer; we gaan alles meten en monitoren. Als we een werkzaam concept hebben willen we dat uitrollen over meer dorpen, en een grootschalig experiment organiseren om de impact te meten. Mocht de keten echt gaan draaien, dan kunnen we het misschien invoeren in meer Afrikaanse landen. Omdat het principe zo simpel is, is opschaling niet zo moeilijk. Als we met grotere aantallen hubs en boeren werken, kunnen we er wetenschappelijk ook meer over zeggen.’